Dutch–English dictionary
62,538 Dutch entries with meanings in English, each on its own page. The 150 words below are some of the richest entries.
Search the full dictionary: open the interactive Dutch dictionary, where every word in a definition is a link.
Dutch words
- aan
- aanhalen
- aanhouden
- aanzetten
- aas
- accent
- afdoen
- afschieten
- afzetten
- argument
- baan
- baar
- bak
- ban
- band
- bank
- bar
- bewijs
- bij
- blad
- blik
- bok
- bol
- borgen
- broeder
- bus
- dag
- dagen
- deken
- dicht
- doen
- door
- drift
- eren
- even
- flens
- fok
- gaai
- gaan
- gelijk
- goed
- gulden
- hard
- heilige
- heten
- heul
- kamer
- kanten
- kappen
- kern
- kiek
- klappen
- kolk
- kop
- kraai
- kraak
- kraken
- kroon
- kruis
- kwartet
- lap
- laten
- lijn
- log
- lopen
- mangelen
- marginaal
- matras
- medium
- meester
- min
- moer
- net
- om
- ongedekt
- op
- opnemen
- over
- overgaan
- overslaan
- paal
- pas
- pier
- pil
- plak
- pleisteren
- plomp
- pond
- pool
- pop
- poppen
- prut
- punt
- ramen
- rat
- rijk
- rond
- rozenkrans
- ruit
- ruiter
- scheel
- schier
- schoot
- schorpioen
- schors
- slag
- slee
- sluiter
- spits
- split
- spuit
- staan
- stal
- ster
- stoel
- stom
- stuk
- trekker
- uitlaten
- uitslag
- val
- van
- vast
- veld
- verbloemen
- verstenen
- vervallen
- verwegen
- vlak
- vleien
- vleugel
- vlieden
- voer
- voeren
- waar
- waard
- waarde
- wagen
- want
- wat
- weer
- wel
- wit
- zak
- zeer
- zijn
- zin
- zoet
- zuiver
- zwabber
About the language: Dutch.
Definitions are from Wiktionary, extracted by Kaikki.org, and are available under the CC BY-SA 4.0 licence.